Erica 150 jaar

Historie

 
Paginagroot interview in het Dagblad van het Noorden (6 maart 2013)
met drie van de vele kanjers die de afgelopen jaren hebben gewerkt aan dit
historisch naslagwerk van ons mooie Erica.
 


150 jaar Op Erica en hoe het begon

 

Tja, alweer 150 jaar Op Erica.

 

Erica is ontstaan op de zuidpunt van de Hondsrug aan de rand van wat eens het bijna ontoegankelijke Bourtangerveen was.

Rustig, ongestoord, bijna ongenaakbaar heeft dat terrein daar eeuwenlang gelegen, zich ver uitstrekkende over de rijksgrens tot in het toenmalige naburige Duitse Koninkrijk Hannover. Dit moeras had zich gevormd tussen de Hondsrug en de rivierduinen van de Eems.

Johan Picardt (1600-1670), een Duits-Nederlands historicus, medicus en predikant met een luthers-gereformeerde achtergrond schreef over Zuidoost-Drenthe dat ‘het land niet van menschen handen gemaekt was maar door de straffende hand Godts verordineert tot een plaegh van menschen’. Hij meende ook dat het Bourtanger Moor met zijn verraderlijke hoogveen het grootste aaneengesloten moeras van Europa was en ontstaan door een soort van oerknal. Dit zou volgens hem een straf van God zijn geweest voor de bewoners. Hij vergeleek dit gebeuren met de ‘Sontvloet uit Noachs dagen’.

 

4a - Amfoor2 (1) Regelmatig is er in het verleden gespeculeerd of er vóór het ontstaan van Erica mensen in deze streek hebben gewoond. Bekend is dat zich op de meest zuidelijke uitloper van de Hondsrug al ver vóór onze jaartelling mensen hebben opgehouden. De eersten waarvan we dat met zekerheid weten, zijn mensen uit de midden-steentijd, de periode tussen 9000 en 5000 v.Chr. Bij Erica gevonden vuurstenen werktuigen, zoals pijlpunten en schrabbers zijn stille getuigen van hun verblijf.

Op de Hankenberg zijn urnen uit de Trechterbekercultuur gevonden (4350-2800/2700 v.Chr.)

 

Tijdens het gouden jubileum van Erica, dat eind juni 1913 werd gevierd, zijn verscheidene toespraken gehouden waarin werd verwezen naar die onherbergzame toestand. In één ervan is de streek rond Erica van vóór 1863 als volgt gekarakteriseerd:

 

"Wild en woest en ledig was het ruwe veen,

Slechts de heide vlecht er kransen over heen”.

 

Lyrisch voegde de spreker eraan toe:

‘Geen boom en haast geen struik werd er in die tijd op de maagdelijke heidevelden gevonden, wier bonte kleed eens de doopnaam aan die streken zou schenken’.

 

Daar op het einde van de Hondsrug, daar waar deze opeens onder het verraderlijke moeras van het schier eindeloze Bourtangerveen  verdween, daar besloten in de achttiende eeuw de Heren van Friesland een aantal schansen aan te leggen. Schansen die onderdeel waren van een verdedigingslinie tussen de steden Coevorden en Groningen.

Een ervan is de Bergerschans. En er zullen daar bij die Bergerschans ongetwijfeld mensen hebben gebivakkeerd toen men bezig is geweest met de plannen en de aanleg van deze schans als onderdeel van de pas ’de Sandhart, lopende van Sudbergen door het moer naar Schoonebeek’.

Maar de schans is eigenlijk nooit in functie gekomen en de bewoning zal daardoor van korte duur geweest zijn.

 

Dit bleef eigenlijk zo totdat de markegenoten van Noord- en Zuidbarge in 1861 besloten om de tot hun grondgebied behorende veengronden te verkopen aan de Drentse Kanaalmaatschappij (DKM).

De plannen om deze veengronden toegankelijk en rendabel te maken heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Van verscheidene kanten zijn projectontwikkelaars toegestroomd. Zij tekenden op de tekentafels meerdere plannen, bespraken met elkaar de vereiste invloedsferen en richtten de noodzakelijke werkmaatschappijen op.

In de eerste helft van de 19de eeuw was men er al mee bezig geweest wat onder andere in 1850 resulteerde in het sluiten van een overeenkomst met de Drentsche Kanaalmaatschappij (DKM) om vanaf Hoogeveen de Hoogeveense Vaart in oostelijke richting te verlengen en volgens een opgesteld bestemmingsplan het gehele gebied van de Barger Venen te ontwikkelen.

Uiteindelijk in 1861 verkochten de markegenoten van Noord- en Zuidbarge een grote strook veengrond in het ‘Westerveen’ en ‘Amsterdamse Veld’ aan de in 1851 opgerichte Drentsche Landontginning Maatschappij (DLM) die onder de handelsnaam fa. Meinesz en Co opereerde en onder beheer stond van G. Cruijs Cz en Hendrik Meinesz. Berend Dommers was de beheerder of administrateur.

Maar tot die tijd kwamen ieder voorjaar de boekweitboeren, zo gauw het water weer voldoende weggetrokken was, om het veen af te branden en in de as hun boekweit te zaaien. Daarna wachten ze af om in augustus, september de boekweit te oogsten.




Het afbranden van de heide waarna in de as het boekweitzaad gezaaid werd. De rook van deze "gecontroleerde heidebranden was bij de juiste windrichting tot ver over onze landsgrenzen te merken en leidde vaak tot felle protesten.

 

Deze boekweitboeren woonden als kolonisten niet permanent op het veen. In het seizoen woonden ze, net als later de veenarbeiders en turfgravers, in hun tijdelijke plaggenhutten bij de boekweit akkers. Omdat ze "hoog en droog” wilden bivakkeren bouwden ze hun hutten ”Achter op Erica” (ongeveer daar waar de autoweg A37 onder de Ericase straat door gaat)  

 

Afijn toen in 1861kwam alles in beweging. De eerste directeur van deze maatschappij was Jhr. Mr. A.W. van Holthe tot Echten die samen met enkele anderen het initiatief tot oprichting van deze maatschappij had genomen. Het kanaal kon nu verlengd worden over het vroegere grondbezit van de Noord- en Zuidbarger- marke tot de grens van het Koninkrijk Hannover.

We schrijven 1863 als de kanaalgravers met het graven van de Verlengde Hoogeveense Vaart gevorderd zijn tot waar nu de Ericase Brug ligt.

Toen ontstond er een meer permanente bebouwing van plaggenhutten op deze plek daar "Achter op Erica” en dan ontstaan ook de verhalen over de naamgeving voor deze kolonie van boekweitboeren, kanaal- en turfgravers.

 

Ondanks het feit dat iedere burgermeester, toen en nu nog steeds wel graag iets "nieuws” in zijn gemeente heeft klinkt het heel aannemelijk dat de toenmalige burgermeester van de gemeente Emmen, mr. Lucas Oldenhuis Tonckens gedacht moet hebben na Nieuw Amsterdam en Nieuw Dordrecht hoef ik even plaatsnaam met nog meer "nieuw” erbij.

Feit is wel dat er tot op heden geen "officieel stuk” gevonden is waarin B&W besluiten om die nieuwe kolonie daar op die splitsing in de zandweg van Emmen naar Schoonebeek en de Streng- en de Beekvenen dan maar Erica te noemen.

 

Het jaar 1863 is altijd als het precieze moment aangehouden dat de eerste bewoners zich permanent in een van de twee Erica - kernen vestigden. Ook de inschrijvingen van bijvoorbeeld de families Veltrop en Broekman in het bevolkingsregister van de gemeente Emmen ondersteunen dat jaartal.

 

Aangenomen wordt dat de dorpsnaam "Erica” pas in 1863 geïntroduceerd werd.

Dat houdt in dat wanneer boekweittelers of kanaalgravers zich al eerder in het besproken gebied verbleven deze in het bevolkingsregister werden genoteerd als ‘aangekomen’ in het dorp Nieuw-Amsterdam, Zuidbarge, Veenoord of Nieuw-Schoonebeek. Of helemaal niet werden geregistreerd,



Kopie uit het bevolkingsregister van de Gemeente Emmen, waarin de Familie Broekman (162) wordt ingeschreven met datum en plaats van vestiging 13 november 1863 te Erica Wijk nr 161 en daaronder de Familie Veltrop (8) met als datum en plaats van vestiging oktober 1863 te Erica.

 

Dat er altijd is gesproken en geschreven over de komst van veen- en kanaalwerkers uit het Overijsselse dorp Slagharen, een dorp in de gemeente Ambt Hardenberg, is ook begrijpelijk, hoewel er in de officiële overheidsregisters niet of nauwelijks over Slagharen is gerept.

Immers de bevolkingsregisters van zowel de gemeente Emmen als die van de gemeente Ambt Hardenberg hebben het in de meeste gevallen alleen over ‘Emmen’ en ‘Ambt Hardenberg’.

Wat ook duidelijk is geworden dat over het algemeen de uit Ambt Hardenberg en andere plaatsen afkomstige arbeiders uit bittere noodzaak naar Zuidoost Drenthe zijn gekomen.

Er heerste toen op vele plaatsen grote werkloosheid en in de zuidoosthoek van Drenthe stond de ontsluiting van een groot gebied op het programma. Ricus Hertsenberg bevestigde dit in zijn boek. Hij schreef namelijk dat medio 19de eeuw in Slagharen grote armoede heerste.

Het kon dan ook niet uitblijven dat er tussen 1850 en 1870 een uittocht plaats vond naar de veengebieden in Zuidoost Drenthe, om te beginnen naar Nieuw-Amsterdam en later naar het nieuwe dorp Erica. Hertsenberg schreef over het bestaan van de twee nog prille dorpen met de naam ‘Erica’ het volgende:

‘Daaraan herinnert nog de naam"het oude Erica”. Dat was een oude nederzetting van Slagharenaren op tien minuten gaans van de tegenwoordig aan het kanaal gelegen veenkolonie Erica. De Slagharenaren hadden "het oude Erica” als "Nieuw Slagharen” de geschiedenis willen laten ingaan’. [1]

 

Het voormalige Erica moet hebben gelegen ten oosten van de plaats waar tegenwoordig de Verlengde Herendijk de Ericasestraat met een rotonde kruist.

Helmuth Rijnhart en Wim Visscher schreven hierover:

‘In 1863 emigreerden de eerste gezinnen uit Slagharen naar dit Zuidoost Drentse gebied. Hier vestigden ze zich met hun gezinnen, niet ver van de huidige Bladderswijk, op een zandhoogte, die gevormd werd door een uitloper van de Hondsrug. In de hierop volgende jaren zouden hen nog vele gezinnen uit Slagharen volgen. Ook vestigden er zich in die tijd Avereester families zoals Berendsen, Bruggewert, Braam en Massenais (Mazenier). Deze nieuw boekweitkolonie kreeg de naam Erica naar de heide, die daar zo welig groeide’. [2]

 

Ook zij schreven beiden dat de nieuwe kolonie in de volksmond ‘Nieuw-Slagharen’ werd genoemd naar de herkomst van de meeste bewoners.

de Ericase Brug.JPG Toen enige tijd later de van Hoogeveen in oostelijke richting gegraven verlengde Hoogeveense Vaart, De Ericase Brug (Collectie Roeleof Boelens)

die enkele kilometers ten zuiden van de eerste "Erica – kern” liep, tot bij deze plaats was gevorderd, ontstond aan het kanaal de veenkolonie Erica. Hadden zich in het boekweit- zanddorp Erica vooral mensen uit Ambt Hardenberg gevestigd, in de nieuwe veenkolonie aan het kanaal ging het voor een niet onbelangrijk deel om uit andere gebieden afkomstige gezinnen.

 

We kunnen ons voorstellen dat toen de kanaalgravers verder richting Klazienaveen en Duitse grens groeven het centrum van Erica zich verschoof van, eerst rondom de Katholieke Kerk, naar de kruising van de Vaart met de tot dan toe enig zandweg verbinding tussen Emmen en Schoonebeek.

Er ontstond een bedrijvig centrum met voor die tijd al zeer monumentale (verveners) huizen op alle vier de hoeken van kruising van Vaart en weg.

Vandaag, in 2013, is dit een nog steeds uniek en helaas enig in zijn soort veenkoloniaal dorpsgezicht.

 

De industriële bedrijvigheid kwam opgang, turfverwerkende fabrieken van onder andere de families Veldkamp en Griendtsveen, ook kwam er de lokfabriek van de Fransman Allagnou. Aanvankelijk veel belovend  maar uiteindelijk werd het een debacle en bleef de turfverwerkende industrie als enig over. Er kwam een korenmolen en die hebben we nog steeds.

In de cafés bij de brug werd handel gedreven en vonden de markten plaats.

In 1877 kreeg "De Snikke”, het vervoermiddel bij uitstek in de venen en via Meppel de verbinding met de rest van ons land ook bij de Ericase Brug zijn aanleg plaats voor het laden en lossen van goederen, mensen en andere levende have.

 

Dit ging door totdat de in het begin van de twintigste eeuw de Dedemvaartsche Stoomtramweg Maatschappij (DSM) de concurentie met De Snikke aan ging.  

Gelijktijdig met de aanleg van de lijn Nieuw Amsterdam - Erica werd, bij de Heemskerksluis te Erica, een wachtgelegenheid gebouwd. Volgens de bestekvoorwaarden moest het tenminste een overdekte plaats zijn of een eenvoudig dienstgebouwtje. Bij het voorlopige eindpunt te Erica kwam een wisselspoor. Op 25 februari 1902 kon deze lijn worden geopend.  

De Stoomtram op Erica.JPG Vele honderden inwoners hebben er in de loop der jaren gebruik van gemaakt. Vooral de jeugd heeft altijd met ontzag naar de dampende stoomlocomotieven gekeken. Iedereen besefte dat het gevaarlijk was om in de buurt van de wagens te komen. Ongelukken konden dan ook niet uitblijven.

 

De stoomtram ter hoogt van het toenmalige café Beuker waar thans de "auto-uitstalling” van Luth-Tangenbergh aan de Verl. Hoogeveensche Vaart ZZ is.

 

 

Epiloog

Zo en nu hoop ik, namens de hele werkgroep die meewerkt aan de totstandkoming van het boek

"Op Erica, 1863 – 2013, van boekweit- en veenkolonie naar een moderne dorpsgemeenschap”, dat u nieuwsgierig naar meer bent geworden. En dus ook dit fraai geïllustreerde boek in de feestweek van 25 mei tot 2 juni 2013 gaat aanschaffen.

Een boek waarin we, na veel speurwerk, niet alleen het ontstaan van ons mooie dorp daar op dat uiterste puntje van de Hondsrug willen nuanceren, maar u ook een inzicht willen geven in anderhalve eeuw pionierschap en bedrijvigheid van de soms ook wel kleurrijke bevolking van Erica.

Een bedrijvigheid die met name er toe heeft bijgedragen dat vandaag de land- en tuinbouw nog steeds belangrijke economische factoren op ons dorp zijn.

 

Gerhard J. Vedder   



[1] Zie Ricus Hertsenberg, ‘150 jaar Slagharen’, De Krim, 1990, hoofdstuk 4 ‘Uittocht naar Drenthe en Twente’.

[2] Zie hun artikel  Egbert Zwiers en Consorten. Internet.